2.1 Inhoudelijk beleid

Ontwikkelingen binnen het zorglandschap en demografische veranderingen leiden tot een toenemende druk op de zorg. Door de groei van het aantal (kwetsbare) ouderen wordt valpreventie steeds belangrijker. Op dit moment is 1 op de 5 Nederlanders 65 jaar of ouder; in 2040 is dit naar verwachting 1 op de 4. Het groeiende aantal ouderen met een zorgvraag zet de zorg onder druk binnen meerdere domeinen, waaronder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de eerstelijnszorg, de medisch-specialistische zorg en de verpleeg- en verpleeghuiszorg.

Vallen vormt een toenemend gezondheidsprobleem onder ouderen en heeft ingrijpende medische, maatschappelijke en persoonlijke gevolgen. Jaarlijks belanden circa 110.000 tot 119.000 65-plussers op de spoedeisende hulp (SEH) na een val. Dit betekent dat gemiddeld iedere 4 minuten een oudere na een val op de SEH terechtkomt. Ongeveer 32% van deze ouderen wordt vervolgens in het ziekenhuis opgenomen (circa 38.600 mensen).

De gevolgen van een val zijn vaak ernstig. In 2024 had 55% van de ouderen die op de SEH werden behandeld een fractuur, waaronder 15% heupfracturen en 10% polsfracturen. Daarnaast liep 19% hersenletsel op. Jaarlijks overlijden meer dan 7.100 ouderen als gevolg van een valincident.

Valincidenten hebben bovendien een grote impact op het dagelijks functioneren en de kwaliteit van leven van ouderen. Ze leiden regelmatig tot verlies van zelfstandigheid, beperkingen in dagelijkse activiteiten (zoals traplopen en douchen) en (psycho)sociale gevolgen, waaronder een verminderd zelfvertrouwen en angst om opnieuw te vallen. De RIVM Monitor Valpreventie laat zien dat gemeenten en zorgorganisaties steeds meer inzetten op een ketenaanpak en valpreventie om deze impact te beperken. Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat de landelijke doelen nog niet zijn behaald en dat verdere opschaling noodzakelijk is.

Naast persoonlijk leed brengen valincidenten ook aanzienlijke maatschappelijke kosten met zich mee. De directe medische kosten van valincidenten bij ouderen bedragen jaarlijks circa € 1,5 miljard, vooral door SEH-zorg en ziekenhuisopnames. Door de voortgaande vergrijzing nemen deze kosten naar verwachting verder toe.

Gezond leven en preventie zijn belangrijke onderwerpen binnen het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA). Zorgpartijen en gemeenten werken hierin samen aan regioplannen om gezond leven te bevorderen. Samenwerking tussen het zorgdomein en het sociaal domein is daarbij essentieel.

Binnen het IZA is afgesproken dat zorgverzekeraars en gemeenten gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de inrichting van 5 ketenaanpakken. De Ketenaanpak Valpreventie bij ouderen is er daar één van. Daarnaast is deze ketenaanpak opgenomen als basisfunctionaliteit binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA). Door hier structureel op in te zetten, blijft de zorg ook in de toekomst toegankelijk en betaalbaar.

De Ketenaanpak Valpreventie is ontwikkeld door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), met ondersteuning van VeiligheidNL. Het doel van deze aanpak is het tijdig opsporen van valrisico’s bij ouderen en het verminderen van valletsel via voorlichting, bewezen effectieve interventies en het delen van kennis en expertise. De ketenaanpak bestaat uit 4 samenhangende stappen binnen het zorgdomein en het sociaal domein:

Stap 1: opsporen van valrisico’s
 De valrisicotest is gebaseerd op de Wereldrichtlijn Valpreventie (2022) en maakt onderscheid tussen een laag, matig en hoog valrisico.

  • Ouderen met een laag valrisico krijgen voorlichting over valpreventie en worden verwezen naar het reguliere sport- en beweegaanbod in het sociaal domein.

  • Ouderen met een matig valrisico krijgen voorlichting en worden verwezen naar een valpreventieve beweeginterventie in het sociaal domein.

  • Ouderen met een hoog valrisico worden doorverwezen naar een zorgverlener voor verdere screening (stap 2).

Stap 2: valrisicobeoordeling bij hoog risico
 Bij ouderen met een hoog valrisico voert de huisarts of praktijkondersteuner een valrisicobeoordeling uit. Hierbij worden met vragen en testen 13 valrisicofactoren in kaart gebracht. Denk aan: medicatiegebruik, zichtproblemen, voetproblemen en schoeisel, woning- en omgevingsfactoren, voeding, educatieve en psychologische interventies en de medische behandeling van onderliggende aandoeningen. De huisarts of praktijkondersteuner is in alle gevallen verantwoordelijk voor de eindbeoordeling. Op basis hiervan ontvangt de oudere een persoonlijk advies, bijvoorbeeld over medicatie-aanpassing, een verbetering van het gezichtsvermogen of een woningaanpassing na advies van een ergotherapeut.

Stap 3: inzet van een valpreventieve beweeginterventie (VBI)
 Sinds 1 januari 2024 komen 65-plussers met een hoog valrisico én onderliggende of bijkomende problematiek in aanmerking voor een valpreventieve beweeginterventie (VBI) onder begeleiding van een fysio- of oefentherapeut. De kosten hiervan worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw), mits de noodzaak blijkt uit een valrisicobeoordeling door de huisarts of praktijkondersteuner. Ouderen met een matig valrisico, of met een hoog valrisico zonder onderliggende of bijkomende problematiek, kunnen een valpreventieve beweeginterventie volgen binnen het sociaal domein onder begeleiding van een gecertificeerde aanbieder. In dat geval is er geen sprake van een Zvw-aanspraak.

Stap 4: begeleiding naar structureel beweegaanbod
 Voor duurzame resultaten is het van belang dat ouderen na afronding van de interventie blijven werken aan balans en spierkracht. Actieve begeleiding naar structureel beweegaanbod is hierbij essentieel. Zorgprofessionals spelen een belangrijke rol in deze overgang. Dit vraagt van aanbieders van beweeginterventies dat zij bekend zijn en samenwerken met het lokale beweegaanbod[1].

  • 1Meer informatie over de Ketenaanpak Valpreventie en valpreventieve beweeginterventies is te vinden op: Ketenaanpak valpreventie gemeente | Loketgezondleven.nl.

Deel deze pagina: